Search for a command to run...
<p>In de periode juni – juli 2025 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Burgemeester Wijnenstraat 38-42 te Asten, in de gelijknamige gemeente. </p><p> Aanleiding voor het laten uitvoeren van dit archeologisch onderzoek betreft een aanvraag omgevingsplanactiviteit (OPA) ten behoeve van de bouw van appartementen. De concrete diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering, zal de bodemverstoring tot ten minste 80 centimeter (vorstvrije diepte) beneden maaiveld reiken. De verwachting is dan ook dat bij het uitgraven van de bouwputten, ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw, de bodem tot in het archeologische niveau verstoord zal worden en eventueel aanwezige archeologische waarden daardoor verloren zullen gaan.</p><p> De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de Asten deels in Categorie 3 ‘Archeologisch waardevolle terreinen’ en deels in een zone categorie 5 ‘gebieden met een middelhoge archeologische verwachting’. Binnen het bestemmingsplan Asten veegplan 2016-1 (vastgesteld 2016) gelden respectievelijk de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 2 en Waarde – Archeologie 3. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het plangebied ligt tussen twee hoger gelegen dekzandruggen nabij watervoorzieningen. Vermoedelijk ligt het plangebied op een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. Verder zijn er ook (in)actieve waterlopen aanwezig ten westen van het plangebied. Hierbij gaat het om het huidige beekdal van de Aa. Van oudsher zijn de kampementen van de jager-verzamelaars gesitueerd op de overgang van nat naar droog (gradiëntzone). De beekdalglooiing van de Aa ligt op circa 700 meter ten westen van het plangebied. Er is dus geen sprake van een gradiëntzone in het plangebied en daarmee geen gunstige vestigingslocatie. Om deze redenen wordt een middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. </p><p> De ligging van het plangebied in een relatief laaggelegen deel van een dekzandvlakte ver van watervoorzieningen zal voor latere landbouwende samenlevingen niet direct een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn geweest. Men zal zich voornamelijk op de hooggelegen dekzandruggen en de hoge delen van de dekzandwelvingen hebben gevestigd, zoals die aanwezig zijn ten zuiden en oosten van het plangebied. Voor het plangebied geldt daarom een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. </p><p> Het plangebied ligt aan de Burgmeester Wijnenstraat, in de historische dorpskern van Asten. Deze straat vormde een secundaire uitvalsweg vanuit de historische kern van Asten richting Lierop. Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied sinds tenminste circa 1800 onbebouwd was en in gebruik is als bouwland. Vanaf 1900 raakt het plangebied bebouwd. Het is niet uit te sluiten dat binnen het plangebied historische bebouwing aanwezig was, al dan niet bestaande uit bijgebouwen (schuur, stal) van de omringende bebouwing. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. </p><p> Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van enkeerd- of haarpodzolgronden en daarmee een plaggendek zijn archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Bij hoge enkeerd- of haarpodzolgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. </p><p> Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in een groot deel van het plangebied bestaat uit een restant van een podzolprofiel (BC-horizont). Hierdoor bestaat nog de kans dat dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (middelhoog voor (laat-)paleolithicum –mesolithicum wordt bijgesteld naar laag omwille van het ontbreken van een E- en B-horizont. De middelhoge verwachting voor de periode neolithicum - nieuwe tijd blijft gehandhaafd. </p><p> Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van proefsleuvenonderzoek. Selectieadvies gemeente Asten Voor wat betreft het plangebied is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Onzes inziens kan dit het beste op de volgende manier uitgevoerd worden:</p><p> • Een archeologische Programma van Eisen, waarin onderstaande werkwijze omschreven wordt, dient in het kader van deze vergunningsaanvraag aangeleverd en goedgekeurd te worden.</p><p> • Na bovengrondse sloop en vrijmaken bovengrond een proefsleuvenonderzoek op het achterterrein. Hier moeten 3 à 4 proefsleuven inzicht geven in de aanwezigheid en behoudenswaardigheid van archeologische resten.</p><p> • Indien archeologische resten aangetroffen worden, moeten deze opgegraven worden. Als redelijkerwijs aangenomen mag worden dat deze resten zich ook onder de nog aanwezige funderingen kunnen bevinden, wordt ook hier een opgraving uitgevoerd (al dan niet archeologische begeleiding).</p><p> • Wanneer de opgraving afgerond is, of tijdens het proefsleuvenonderzoek geen behoudenswaardige resten aangetroffen worden, kunnen de civieltechnische werkzaamheden plaatsvinden. Wel dient er altijd een rapport van het onderzoek overlegd te worden. Indien deze strategie niet mogelijk blijkt, wordt in overleg met de adviseur archeologie van de gemeente Asten besloten wat de alternatieven zijn.</p><p> Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat er al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging, dan wel vernietiging, als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt.</p>