Search for a command to run...
<p>Synthegra B.V. heeft in opdracht van bedrijf XXX een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een verkennend booronderzoek uitgevoerd op een terrein aan de Industrieweg 33 te Voorschoten. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen uitbreiding van het ten westen gelegen gebouw. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 225 m2. De toekomstige bodemverstoring bedraagt 225 m2 met een diepte van ca. 1 meter beneden maaiveld. De bodem zal waarschijnlijk tot ver in het archeologische niveau worden verstoord. Eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen daarbij verloren gaan. </p><p> Op basis van het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied ligt op een strandwal met daarin een beekeerdgrond. Echter moet er rekening gehouden worden met de aanwezigheid van een duin, waarin eventueel ook een oude leeflaag verwacht kan worden. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum geldt een lage verwachting. Deze kunnen worden verwacht in de top van het dekzand, welke echter pas vanaf 5 meter beneden maaiveld worden verwacht en daarom in dit onderzoek ook niet aangetroffen zullen worden.</p><p> Voor het Neolithicum tot en met de Romeinse Tijd geldt een hoge verwachting. Vanaf het Neolithicum is er in het plangebied sprake van een strandwal, wat een zeer aantrekkelijk woonplaats vormde. Aangezien er eventueel ook een duin op de strandwal ligt, kunnen er resten worden verwacht uit deze periodes. Deze resten kunnen voorkomen in de top van de strandwal, of in het aanwezige duin. Hierbij kan er sprake zijn van een oude woongrond in het pakket duinzand, waarbij deze laag op zal vallen door de humeuze aard. Een dergelijke laag vaker is aangetroffen bij onderzoeken in de omgeving van het plangebied.</p><p> Voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting. Naast de ligging op een strandwal/duin zijn er in de omgeving van het plangebied meerdere vondsten bekend uit de deze periodes. Hierdoor geldt ook hier een hoge verwachting. Resten uit deze periodes zullen zich voordoen in de top van de strandwal of in de top van het duin. Bodemgaafheid: op basis van de bekende waarde is het mogelijk dat de bodem al is verstoord door saneringswerkzaamheden en de aanleg van kabels en leidingen. Verder is er op basis van de aanwezigheid van een lage dijk kans op ophoging, al lijkt dit op basis van de AHN niet het geval. </p><p> Het natuurlijke bodemtype is in het hele plangebied verstoord door graafwerkzaamheden tot minimaal 1,3 en maximaal 1,6 meter beneden maaiveld. Het verwachte duin is niet aangetroffen, deze is waarschijnlijk verstoord door de uitgevoerde graafwerkzaamheden in het plangebied. Vuursteenvindplaatsen bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, en bevinden zich in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aangezien de aanwezige strandwal pas in het Neolithicum is gevormd zouden dergelijke vindplaatsen ook alleen uit deze periode of later aanwezig kunnen zijn in het plangebied. Eventuele resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum zouden pas veel dieper verwacht worden. Aangezien het duin dat in het plangebied werd verwacht minimaal dateert uit het Laat-Neolithicum, kunnen slechts vuurstenenvindplaatsen worden verwacht uit het Vroeg- en Midden Neolithicum, in de top van het strandwalniveau.</p><p> Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de Chorizont reiken en zijn mogelijk nog intact. Aangezien het duin niet meer aanwezig is en sporen vanaf het LaatNeolithicum hierin worden verwacht (gezien de resultaten uit de omgeving, waarbij Laat-Neolithische sporen en vondsten zijn aangetroffen in het duinzand pakket) is de verwachting op intacte resten uit vanaf het LaatNeolithicum tot en met de Nieuwe Tijd binnen het plangebied laag. Wel zouden eventueel zeer diepe sporen (zoals paalkuilen) tot in de strandwal kunnen reiken. Voor het Vroeg- en Midden-Neolithicum geldt dat resten uit deze periode nog in de top van de strandwal kunnen zitten. Aangezien niet duidelijk is of en zo ja hoe diep de top van de strandwal is verstoord, kunnen er nog resten uit het Vroeg- en Midden Neolithicum in de top van het strandwalniveau worden verwacht. </p><p> Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied zoals omschreven in de vergunningsaanvraag geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Dit bovenstaande advies geldt echter alleen voor verstoringen die niet dieper reiken dan 1 meter beneden maaiveld. Voor de eventuele heiwerkzaamheden geldt dat deze alleen doorgang kunnen vinden als dit ‘archeologie vriendelijk’ gebeurt, of terwijl met een minimale afstand van 4 meter tussen palen. Is dit niet mogelijk dan dient allereerst contact opgenomen te worden met de gemeente Voorschoten om de vervolgstrategie te bepalen. Wij adviseren in het geval van een te grote verstoring een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd. Concreet is het advies om in ieder geval de archeologische dubbelbestemming voor het plangebied te laten staan, met daarbij een vrijstellingsgrens van 1 meter beneden maaiveld.</p><p> Bovenstaande vormt een selectieadvies. Met nadruk willen wij de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat in deze fase van het vergunningsverleningstraject reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek dienen vooraleerst te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Voorschoten). Deze neemt een definitief selectiebesluit aangaande de vrijgave van het plangebied voor verdere ontwikkeling zoals omschreven in de vergunningsaanvraag. Er is getracht een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Synthegra wil de opdrachtgever er daarom op wijzen dat, indien tijdens de werkzaamheden een (mogelijke) archeologische vondst wordt gedaan dan geldt de wettelijke meldingsplicht, zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de minister. Uit praktisch oogpunt kan een dergelijke toevalsvondst bij de gemeente worden gemeld</p>