Search for a command to run...
<p>Het plangebied Uden-Noord I, in totaal 27 hectare, wordt sinds 2010 heringericht.<br>Archeologisch vooronderzoek wees uit dat 11 hectare van het plangebied resten bevat van een grootschalig woonlandschap uit de prehistorie en Romeinse tijd. Besloten werd deze resten in twee fasen nader te onderzoeken. Het gebied van Fase 1, waar inmiddels het regionaal ziekenhuis Bernhoven staat, is van 2009 tot en met 2011 opgegraven. De resultaten van Fase 1 zijn in 2013 reeds gepubliceerd in Archol-rapport 188. Her rapport belichten het leven van de vroegste boeren op de overgang van de late bronstijd naar de ijzertijd (1000-600 v. Chr.) en dat van hun latere opvolgers uit de Romeinse tijd (0-200 n. Chr).<br>De opgraving van Fase 2, direct ten noorden en ten zuidoosten van het ziekenhuis, volgde in 2013 tot en met 2015. Deze bood de kans om het onderzoek naar de Romeinse bewoning uit te breiden. Dankzij de bundeling van de resultaten van beide fasen is in dit rapport nu een vrijwel compleet beeld te schetsen van de Hengstheuvel gedurende de Romeinse tijd.<br>De Romeinse bewoning strekt zich uit over twee zandruggen binnen het plangebied.<br>De eerste boeren vestigen zich rond het begin van de jaartelling op de grootste zandrug in het westen. Ze richten er een erf in met een boerderij, waterput en enkele schuren voor de opslag van o.a. hooi en gewassen. Vermoedelijk bevonden de akkers zich eveneens op de zandrug, in de directe omgeving van het erf. In de loop van de eerste helft van de 1e eeuw n. Chr. lijkt al snel een uitbreiding van de bewoning plaats te vinden: ook op de kleinere zandrug in het zuidoosten verschijnen twee erven met elk een boerderij en enkele schuren. In de daaropvolgende bewoningsfasen, tussen ongeveer 50 en 150 n. Chr., blijken de boeren zich vooral op de grote westelijke zandrug te concentreren. De bewoning is dan inmiddels uitgegroeid tot een langgerekte nederzetting die in verschillende strookvormige kavels is ingedeeld. De kavels en boerderijen zijn alle zuidwest-noordoost gericht; elke kavel vertoont de resten van een boerderij (met schuren) en van maximaal twee opvolgers. De boeren blijken in deze periode gebruik te maken van enkele gemeenschappelijke waterputten.<br>Gezien de concentratie van de bewoning bovenop de zandrug, ligt het voor de hand dat de akkers in deze periode naar de flanken van de twee zandruggen en naar de tussenliggende laagte zijn verplaatst. Het onderzoek heeft de aanwezigheid van gerst, emmertarwe, pluimgierst, duivenboon, vlas en mogelijk haver aangetoond gedurende de Romeinse bewoning. Alleen van gerst en vlas is aan te tonen dat boeren deze lokaal op de akkers hebben verbouwd; de overige gewassen kunnen ook van elders ingevoerd zijn via ruilhandel. Sommige boeren blijken zich meer op de veeteelt te hebben gericht met o.a. rund en schaap of geit. Ook zijn er aanwijzingen dat enkele boeren er nog een neventaak op nahielden in de vorm van ijzerbewerking.<br>Vanaf 150 n. Chr. vindt een opvallende herindeling van de nederzetting plaats, waarbij bewust wordt afgeweken van de oude orientatie: er verschijnen op de westelijke zandrug nieuwe kavels en boerderijen die meer west-oost zijn gericht. Opvallend is ook dat de bewoning zich meer tot de noordelijke helft van deze zandrug beperkt. De ontwikkeling van de bewoning volgt wel het patroon uit de vorige periode: elke kavel uit 150 tot 200 n. Chr. bevat de resten van een boerderij en van een of twee opvolgers.<br>Er zijn wederom aanwijzingen voor een taakverdeling tussen veeteelt en landbouw. De akkers zijn ook deze periode te situeren op de aangrenzende flanken van de zandrug en in de laagte tussen de twee ruggen binnen het plangebied.<br>De meest opvallende verandering vindt in de eindfase plaats, tussen 200 en 250 n. Chr. De bewoning blijkt dan weer teruggebracht te zijn tot een erf net als in de beginfase. Het gaat om een gemengd bedrijf. Centraal op het erf staat een potstalhuis: een boerderij met staldeel, waarin de mest van het vee werd opgevangen. De mest wordt in deze eindfase waarschijnlijk over de omliggende akkers gestrooid om deze vruchtbaarder te maken. De mest en het uitgestrekt akkerareaal dat in deze eindfase op de zandruggen beschikbaar is, maken een intensivering van de (graan)productie mogelijk. Met het surplus dat hieruit voortkomt, kunnen de bewoners deelnemen in de handelsnetwerken met het Romeinse leger. Al vanaf het begin van de Romeinse bewoning wijst de import van Romeins aardewerk en van metalen voorwerpen op dergelijke handelscontacten. Uit alle sporen en vondsten van de opgravingen komt overigens duidelijk naar voren dat de handel niet exclusief voor een of enkele bewoners was gereserveerd. De importen komen namelijk verspreid over de nederzetting en de verschillende bewoningsfasen voor. Ze weerspiegelen vooral het landelijke karakter van de bewoning, op een relatief grote afstand van de Romeinse centra langs de grens van het Romeinse rijksgrens.</p>