Search for a command to run...
Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat de diepere ondergrond van het plangebied, circa 4,0 m -mv (circa 4,3 m -NAP), uit mariene getijdenafzettingen (Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk) bestaat. Indien sprake is van getij-inversieruggen dient rekening te worden gehouden met archeologische sporen en vondsten uit het Neolithicum. Omdat tot op heden in het onderzoeksgebied geen vondsten en/of sporen uit deze periode bekend zijn, is het de vraag in hoeverre het toenmalige getijdenlandschap geschikt was voor bewoning. In de periode Bronstijd tot en met Vroege Middeleeuwen bevond zich ter plaatse van het onderzoeksgebied een uitgestrekt veenmoeras. Op grond van de natte omstandigheden en afwezigheid van grote rivieren die toegang zouden kunnen verschaffen tot het gebied wordt de kans op de aanwezigheid van archeologische sporen in het veen (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop) gering geacht. Vanaf de Late Middeleeuwen werd het gebied op grote schaal ontgonnen en in gebruik genomen voor de landbouw. De intensieve ontginningen leidden tot oxidatie en inklinking van het veen, waardoor het gebied steeds lager kwam te liggen. Vanwege wateroverlast die daardoor ontstond schoof de bewoning gefaseerd naar het zuidoosten. Hierbij ontstond het bebouwingslint langs de Uiterweg. Op basis van bekende historische gegevens moet ter plaatse van de onverveende landstrook langs de Uiterweg, waar het plangebied deel van uitmaakt, rekening worden gehouden met resten uit met name de Nieuwe tijd (vanaf de 16e eeuw). Uit het minuutplan van de gemeente Aalsmeer (1827) komt naar voren dat de aanwezige bebouwing op korte afstand van de Uiterweg was gesitueerd. De achterliggende gronden, waartoe het plangebied kan worden gerekend, waren onbebouwd en bestonden uit teelland. Eventuele resten zullen dan ook uit sporen van landbewerking en losse vondsten (van elders afkomstig) bestaan. Sporen van bewoning zijn niet te verwachten. De randen van het plangebied maakten deel uit van het omringende oppervlaktewater en zijn pas na aanplemping begin jaren vijftig van de vorige eeuw als teelland in gebruik genomen. De bodemopbouw in deze delen van het plangebied zal uit opgebaggerd veen bestaan. Hier zijn geen in situ archeologische resten te verwachten. Bij graafwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van nieuw oppervlaktewater en het aanbrengen van oeverversterking zal in delen van het plangebied de bodemopbouw en daarmee het archeologisch bodemarchief worden verstoord. Dit ‘archief’ zal waarschijnlijk uitsluitend sporen van landbewerking en losse vondsten uit de Nieuwe tijd (vanaf de 16e eeuw) herbergen. Aan dergelijke resten wordt geen of een beperkte archeologische waarde toegedicht.