Search for a command to run...
Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat de diepere ondergrond van het plangebied wordt gevormd door afzettingen van een crevassecomplex dat vanuit de noordelijker gelegen stroomgordel van Heldam is ontstaan. Bekend is dat crevasse-afzettingen in het verleden door hun opbouw, hoogte, ligging en morfologie een ideale locatie voor bewoning en andere menselijke activiteiten vormden. Op grond van de datering van het crevassecomplex en archeologische waarnemingen in de omgeving moet rekening worden gehouden met resten uit de periode Late IJzertijd t/m Midden-Romeinse tijd. Hiervoor geldt een hoge archeologische verwachting. Een nederzetting wordt niet direct verwacht, maar een individuele huisplaats en/of menselijke activiteiten zijn wel mogelijk. Een potentieel archeologisch niveau manifesteert zich als een gerijpte, goed ontkalkte laag of een vegetatiehorizont in de top van de crevasse-afzettingen. Deze kan verwacht worden vanaf circa 1,5 m -mv (circa 0,5 m -NAP). Een eventuele archeologische vindplaats heeft waarschijnlijk het karakter van een puntvondst of huisplaats en kan zich manifesteren met zowel grondsporen als vondststrooiingen die door afdekking met komafzettingen goed geconserveerd kan zijn. In de Late Middeleeuwen werd het plangebied ontgonnen en in gebruik genomen voor de landbouw. Op basis van oude kaarten bestond het tot de aanleg van een bedrijventerrein in 1975 uit weiland. Gelet op het kaartbeeld geldt een lage verwachting op de aanwezigheid van bewoningresten uit de periode Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd. Wel geldt een hoge verwachting op de aanwezigheid sporen van agrarische activiteiten zoals ontginningssporen, voormalige sloten en losse vondsten. Indien aanwezige zullen deze vanwege de ondiepe ligging, in het bovenste deel van de direct onder een (sub)recent ophogingspakket gelegen komafzettingen, (deels) zijn verstoord door de aanleg van bedrijfsbebouwing. Om bovenstaande verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek wijst uit dat in de diepere ondergrond beddingafzettingen bestaande uit kalkrijk, zeer fijn zand aanwezig zijn die aan het op basis van het bureauonderzoek verwachte crevassecomplex van de Heldamse stroomgordel zijn te relateren. De beddingafzettingen gaan op een diepte variërend van 145 tot 200 cm -mv (circa 0,90 tot 1,60 m - NAP) over naar een 50 tot 145 cm dik pakket oeverafzettingen bestaande uit kalkrijke, veelal gelamineerde klei. Deze afzettingen worden op hun beurt afgedekt door een 35 tot 75 cm dik pakket komafzettingen bestaande uit kalkloze klei gevolgd door een laag of pakket bouwzand van 20 tot 70 cm dikte. In geen van de boringen is in of de top van de oeverafzettingen een gerijpte, goed ontkalkte laag of een vegetatiehorizont waargenomen. Vermoedelijk was sprake van een min of meer continue riviersedimentatie en hebben oeverafzettingen als gevolg daarvan niet voor langere tijd aan het oppervlak gelegen. In de top van de komafzettingen is geen oude bouwvoor of een restant daarvan aangetroffen. Mogelijk is deze bij de aanleg van het bedrijventerrein afgegraven.