Search for a command to run...
In december 2024 is in opdracht van de gemeente Opsterland door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, om een archeologische verwachting op te stellen voor een tracé in Beetsterzwaag. Hier wordt het rioolsysteem vervangen – het huidige gemengde rioolsysteem wordt vervangen met een gescheiden rioolstelsel en waterafvoersysteem (DWA en HWA). Het plangebied omvat de zuidelijke helft van het dorp Beetsterzwaag en het betreft de straten It Merkelan, Folkertslân, Van Boelenslaan, Molenlaan, Jokwei, Skoalleane en Boslaan. Het betreft in totaal een tracé van circa 5.900 meter en zal geheel in open ontgraving plaatsvinden. De sleuven worden circa 2 meter breed en tussen de 1,5 en 2 meter beneden maaiveld worden aangelegd. Verder zal er ter hoogte van It Merkelân 33‐36 een vasthoudlocatie worden gerealiseerd. Dit heeft een oppervlak van 2.200 m2. Het totaal oppervlak van de open ontgraving bedraagt circa 14.000 m2. Het plangebied ligt binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Beetsterzwaag Kom’, waar geen dubbelbestemming met de waarde archeologie is in opgenomen.1 Hier geldt dus voor dat er, op basis van de bestemmingsplanregels, geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De archeologische advieskaart van de provincie Fryslân (FAMKE) geeft echter aan dat voor sommige overige delen ook nader onderzoek geadviseerd wordt. Nader onderzoek, in ieder geval de eerste stap, is gedaan met onderhavig bureauonderzoek. Landschappelijk gezien ligt het onderzoeksgebied in een zandgebied, nabij het noordelijk zeeklei‐ en veengebied. Op het dekzand, de pleistocene afzettingen, kunnen eventuele steentijdresten aanwezig zijn mits de bodem nog intact is. Het dekzand ligt gemiddeld op een diepte van 0,5 tot 1,5 meter beneden maaiveld binnen het plangebied. Dit bevindt zich namelijk direct onder een verstoorde toplaag. Indien de bodem dus intact is, kunnen eventuele steentijdresten zich binnen de ontgravingsdiepte (maximaal 2 meter beneden maaiveld) bevinden. In de periode tussen midden neolithicum en de vroege middeleeuwen was er relatief veel veen aanwezig binnen het onderzoeksgebied. Vermoedelijk was het plangebied lange tijd te nat voor bewoning. Er zijn binnen het onderzoeksgebied geen archeologische indicatoren voor deze perioden bekend. Resten uit deze perioden worden op voorhand niet verwacht. Vanaf de late middeleeuwen (circa 14e eeuw) is er weer sprake van menselijke activiteit binnen het plangebied. Men begint namelijk vanaf de 10e eeuw het gebied te ontginnen ten westen van het plangebied. Door vernatting verplaatst men zich naar het oosten, en ontstaat het dorp Beetsterzwaag op een hoger gelegen deel van het landschap. Vanaf deze locatie ging men verder met de veenontginningen. Het dorp Beetsterzwaag ontstaat vanuit twee bewoningsassen: een uit de late middeleeuwen en een uit de nieuwe tijd. Het noordelijke deel van het plangebied overlapt met de bewoning die zich ten zuiden van deze jongste bewoningsas (de huidige Hoofdstraat) bevindt. Hier vestigde zich voornamelijk adel. Het zuidelijke deel van het plangebied kent voornamelijk lange tijd een agrarisch karakter: hier liggen tot de 20e eeuw voornamelijk akkers, weilanden en enkele oude wegen. Ook hebben er twee oude molens gestaan – beide worden niet doorsneden door het geplande tracé. In het noordelijke deel van het plangebied kunnen dus eventueel nog resten van bewoning uit de late middeleeuwen worden verwacht, in het zuidelijke deel worden voornamelijk resten van agrarische activiteiten verwacht. Vermoedelijk is de bodem in zeer grote delen van het plangebied al verstoord geraakt door meerdere factoren. Eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek (voornamelijk booronderzoek) toonde al op meerdere locaties aan dat het dekzand verstoord is. Hier was het dekzand namelijk of (deels) verstoord, of vermengd met de verstoorde toplaag. Op enkele locaties was wel een podzolbodem aangetroffen, maar deze was ook nog maar deels intact. Deze grote bodemverstoringen zijn toe te wijzen aan de veenontginningen in het verleden, maar ook door de bouwactiviteiten in het begin van de 20e eeuw. Advies Antea Group:Op basis van bekende bodemgegevens en eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek wordt duidelijk dat de bodem hoogstwaarschijnlijk verstoord is. eze grote bodemverstoringen zijn toe te wijzen aan de veenontginningen in het verleden, maar ook door de bouwactiviteiten in het begin van de 20e eeuw. De verstoorde bodem is ook het gevolg van een bestaand kabelbed. Ook binnen het plangebied is de kans zeer groot dat dit het geval is. De geplande werkzaamheden betreffen het vervangen van een bestaand rioleringssysteem. De aanleg hiervan, maar ook de aanwezigheid van andere bestaande kabels en leidingen, hebben al voor bodemverstoring gezorgd. Op basis hiervan adviseert Antea Group om de geplande werkzaamheden vrij te geven voor het aspect archeologie. Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Opsterland.